🇳🇱

opbellen auf Niederländisch konjugieren

Niederländisch ✓ regelmäßig

opbellen bedeutet „to call up phone someone" und ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb. Hier findest du alle Zeitformen, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte — perfekt zum Lernen und Merken.

„opbellen" ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb (Bedeutung: „to call up phone someone"). Präsens: hij / zij belt … op. Verleden tijd: hij / zij belde … op. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft opgebeld. Alle Formen von „opbellen" online konjugieren und üben auf conjuexpert.app.

★ Mini-Quiz · ein Stück echte App
Sitzt opbellen schon?
Tippe die richtige Form — du bekommst sofort Feedback, genau wie in der App.

Konjugationstabelle — die wichtigsten Zeitformen

Tegenwoordige tijd

ikbel … op
jijbelt … op
hij / zijbelt … op
wijbellen … op
julliebellen … op
zijbellen … op

Verleden tijd

ikbelde … op
jijbelde … op
hij / zijbelde … op
wijbelden … op
julliebelden … op
zijbelden … op

Toekomende tijd

ikzal opbellen
jijzult opbellen
hij / zijzal opbellen
wijzullen opbellen
julliezullen opbellen
zijzullen opbellen
Alle 9 Zeitformen anzeigen

Tegenwoordige tijd

ikbel … op
jijbelt … op
hij / zijbelt … op
wijbellen … op
julliebellen … op
zijbellen … op

Verleden tijd

ikbelde … op
jijbelde … op
hij / zijbelde … op
wijbelden … op
julliebelden … op
zijbelden … op

Voltooid tegenwoordige tijd

ikheb opgebeld
jijhebt opgebeld
hij / zijheeft opgebeld
wijhebben opgebeld
julliehebben opgebeld
zijhebben opgebeld

Voltooid verleden tijd

ikhad opgebeld
jijhad opgebeld
hij / zijhad opgebeld
wijhadden opgebeld
julliehadden opgebeld
zijhadden opgebeld

Toekomende tijd

ikzal opbellen
jijzult opbellen
hij / zijzal opbellen
wijzullen opbellen
julliezullen opbellen
zijzullen opbellen

Aanvoegende wijs

ikbele … op
jijbele … op
hij / zijbele … op
wijbellen … op
julliebellen … op
zijbellen … op

Voorwaardelijke wijs

ikzou opbellen
jijzou opbellen
hij / zijzou opbellen
wijzouden opbellen
julliezouden opbellen
zijzouden opbellen

Gebiedende wijs

ik
jijbel … op
hij / zijbel … op
wijlaten we opbellen
julliebelt … op
zijbelt u

Onvoltooid deelwoord

ikopbellend
jijopbellend
hij / zijopbellend
wijopbellend
jullieopbellend
zijopbellend

Beispielsätze mit „opbellen"

Tegenwoordige tijd
  • Ik bel mijn vriend elke dag op.Ich rufe meinen Freund jeden Tag an.
  • Zij belt haar moeder nu op.Sie ruft gerade ihre Mutter an.
Verleden tijd
  • Hij belde gisteravond zijn baas op.Er rief gestern Abend seinen Chef an.
  • Wij belden onze grootouders vorige week op.Wir riefen letzte Woche unsere Großeltern an.
Toekomende tijd
  • Ik zal je morgen om acht uur opbellen.Ich werde dich morgen um acht Uhr anrufen.
  • Zij zal haar collega straks opbellen.Sie wird gleich ihren Kollegen anrufen.

Geschichte mit „opbellen"

Elke ochtend belt Anna haar moeder op om te vragen hoe het gaat. Gisteren moest ze haar drie keer opbellen omdat ze niet opnam. Vanmiddag zal ze haar opnieuw opbellen, want ze wil weten of het diner nog doorgaat. Soms belt haar moeder haar ook op, vooral als ze iets belangrijks wil vertellen. Ze vinden het fijn om regelmatig op te bellen; het voelt als een warme verbinding over de afstand heen.
Jeden Morgen ruft Anna ihre Mutter an, um zu fragen, wie es ihr geht. Gestern musste sie sie dreimal anrufen, weil sie nicht abnahm. Heute Nachmittag wird sie sie wieder anrufen, weil sie wissen möchte, ob das Abendessen noch stattfindet. Manchmal ruft ihre Mutter sie auch an, besonders wenn sie etwas Wichtiges erzählen möchte. Sie finden es schön, sich regelmäßig anzurufen; es fühlt sich wie eine warme Verbindung über die Distanz hinweg an.

Häufige Fragen zu „opbellen"

Ist „opbellen" ein regelmäßiges oder unregelmäßiges Verb?

„opbellen" ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb und bedeutet „to call up phone someone".

Wie wird „opbellen" in der 3. Person Singular konjugiert?

Im Präsens: hij / zij belt … op.

Wie lautet die Vergangenheitsform von „opbellen"?

Verleden tijd: hij / zij belde … op. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft opgebeld.

Wird „opbellen" mit „hebben" oder „zijn" gebildet?

Das Perfekt von „opbellen" wird mit „hebben" gebildet: hij / zij heeft opgebeld.

Wo kann ich „opbellen" üben?

Du kannst „opbellen" kostenlos im ConjuExpert-Quiz üben — mit allen Zeitformen, in fünf Sprachen, ohne Anmeldung.

„opbellen" direkt im Quiz üben

Alle 5 Sprachen · alle Zeitformen · KI-Beispielsätze · kostenlos starten

ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig