🇳🇱
Niederländische Verben konjugieren
Alle niederländischen Verben auf einen Blick: Wähle ein Verb und erhalte die vollständige Konjugationstabelle, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte zum Merken. Aktuell 241 Verben — kostenlos und ohne Anmeldung.
Alle niederländischen Verben (241)
Alphabetisch sortiert. Klicke ein Verb für alle Zeitformen.
- aankleden
- aankomen
- aanraken
- afmaken
- afspreken
- antwoorden
- beantwoorden
- bedanken
- bedoelen
- bedriegen
- beginnen
- begrijpen
- begroeten
- behandelen
- bellen
- bereiden
- beschermen
- beschrijven
- besluiten
- bestaan
- bestellen
- bestuderen
- betalen
- betekenen
- bevallen
- bewaren
- bewegen
- bewijzen
- bezitten
- bieden
- bijten
- binden
- blazen
- blijven
- boeken
- bouwen
- branden
- breken
- brengen
- buigen
- controleren
- danken
- dansen
- delen
- denken
- doen
- dragen
- dringen
- drinken
- dromen
- drukken
- duiken
- duwen
- dwingen
- eten
- fietsen
- filmen
- fluisteren
- fluiten
- gaan
- gebeuren
- gebruiken
- geloven
- genezen
- genieten
- geven
- gieten
- glijden
- graven
- groeten
- haasten
- halen
- hebben
- helpen
- herhalen
- herinneren
- herstellen
- hopen
- houden
- huilen
- huren
- kammen
- kiezen
- kijken
- klinken
- kloppen
- koken
- komen
- kopen
- koppelen
- kosten
- krijgen
- kunnen
- lachen
- laten
- leren
- letten
- leven
- lezen
- liggen
- lijden
- lopen
- luisteren
- maken
- markeren
- meedoen
- meenemen
- melden
- missen
- moeten
- mogen
- mompelen
- nemen
- noemen
- oefenen
- onderbreken
- ontbreken
- ontkomen
- ontmoeten
- ontspannen
- ontstaan
- opbellen
- openen
- opruimen
- opstaan
- pakken
- parkeren
- passen
- planten
- poetsen
- praten
- prijzen
- proberen
- redden
- regelen
- regenen
- registreren
- reizen
- rekenen
- rijden
- roepen
- roken
- ruiken
- schenken
- scheppen
- schieten
- schijnen
- schilderen
- schrijven
- schudden
- slaan
- slapen
- slepen
- sluiten
- snijden
- sparen
- spelen
- spreken
- springen
- spuiten
- staan
- stappen
- steken
- sterven
- stijgen
- stoppen
- strepen
- studeren
- sturen
- tekenen
- telefoneren
- tellen
- terugkomen
- tonen
- trainen
- treffen
- trekken
- uitgaan
- uitleggen
- vallen
- vechten
- vegen
- verbergen
- verbeteren
- verbieden
- verbinden
- verbranden
- verbreken
- verdienen
- verdwijnen
- vergeten
- vergeven
- vergroten
- verhuizen
- verkleinen
- verkopen
- verlaten
- verliezen
- vermenigvuldigen
- verminderen
- veroorzaken
- versieren
- verstaan
- vertalen
- vertrekken
- verven
- verwarmen
- verzamelen
- vinden
- vliegen
- volgen
- voorbereiden
- voorstellen
- vragen
- vriezen
- wachten
- wandelen
- wegen
- wensen
- werken
- werpen
- weten
- wijzen
- willen
- winnen
- wisselen
- wonen
- worden
- wrijven
- zeggen
- zetten
- zien
- zijn
- zingen
- zinken
- zitten
- zoeken
- zorgen
- zullen
- zwaaien
- zwemmen
Verben aktiv üben statt nur nachschlagen
Alle Zeitformen · 5 Sprachen · Quiz, Sprechen & Merken · kostenlos starten
ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig