🇳🇱

springen auf Niederländisch konjugieren

Niederländisch ⚡ unregelmäßig

springen bedeutet „to jump" und ist ein unregelmäßiges Nederlands-Verb. Hier findest du alle Zeitformen, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte — perfekt zum Lernen und Merken.

🎯 „springen" jetzt im Quiz üben — kostenlos →

Konjugationstabelle — die wichtigsten Zeitformen

Tegenwoordige tijd

ikspring
jijspringt
hij / zijspringt
wijspringen
julliespringen
zijspringen

Verleden tijd

iksprong
jijsprong
hij / zijsprong
wijsprongen
julliesprongen
zijsprongen

Toekomende tijd

ikzal springen
jijzult springen
hij / zijzal springen
wijzullen springen
julliezullen springen
zijzullen springen
Alle 9 Zeitformen anzeigen

Tegenwoordige tijd

ikspring
jijspringt
hij / zijspringt
wijspringen
julliespringen
zijspringen

Verleden tijd

iksprong
jijsprong
hij / zijsprong
wijsprongen
julliesprongen
zijsprongen

Voltooid tegenwoordige tijd

ikben gesprongen
jijbent gesprongen
hij / zijis gesprongen
wijzijn gesprongen
julliezijn gesprongen
zijzijn gesprongen

Voltooid verleden tijd

ikwas gesprongen
jijwas gesprongen
hij / zijwas gesprongen
wijwaren gesprongen
julliewaren gesprongen
zijwaren gesprongen

Toekomende tijd

ikzal springen
jijzult springen
hij / zijzal springen
wijzullen springen
julliezullen springen
zijzullen springen

Aanvoegende wijs

ikspringe
jijspringe
hij / zijspringe
wijspringen
julliespringen
zijspringen

Voorwaardelijke wijs

ikzou springen
jijzou springen
hij / zijzou springen
wijzouden springen
julliezouden springen
zijzouden springen

Gebiedende wijs

ik
jijspring
hij / zijspring
wijlaten we springen
julliespringt
zijspring u

Onvoltooid deelwoord

ikspringend
jijspringend
hij / zijspringend
wijspringend
julliespringend
zijspringend

Beispielsätze mit „springen"

Tegenwoordige tijd
  • Ik spring over de rivier.Ich springe über den Fluss.
  • De kinderen springen blij in het park.Die Kinder springen fröhlich im Park.
Verleden tijd
  • Hij sprong hoog in de lucht.Er sprang hoch in die Luft.
  • We sprongen samen in de sneeuw.Wir sprangen zusammen in den Schnee.
Toekomende tijd
  • Zij zullen morgen springen op het feest.Sie werden morgen auf der Feier springen.
  • Ik zal binnenkort weer springen.Ich werde bald wieder springen.

Geschichte mit „springen"

Op een zonnige ochtend sprong Lisa vrolijk uit bed. Ze had plannen om naar het park te gaan, waar haar vrienden al aan het springen waren op de trampoline. Terwijl ze daar aankwam, zag ze hoe ze lachend de lucht in sprongen. Lisa besloot dat ze ook wilde springen, dus klom ze op de trampoline. Met een flinke sprongetje voelde ze zich vrij als een vogel. Na een paar sprongetjes samen met haar vrienden, wist ze dat deze dag onvergetelijk zou zijn.
An einem sonnigen Morgen sprang Lisa fröhlich aus dem Bett. Sie hatte Pläne, in den Park zu gehen, wo ihre Freunde bereits auf dem Trampolin sprangen. Als sie ankam, sah sie, wie sie lachend in die Luft sprangen. Lisa beschloss, dass sie auch springen wollte, also kletterte sie auf das Trampolin. Mit einem kräftigen Sprung fühlte sie sich frei wie ein Vogel. Nach ein paar Sprüngen zusammen mit ihren Freunden wusste sie, dass dieser Tag unvergesslich sein würde.

„springen" direkt im Quiz üben

Alle 5 Sprachen · alle Zeitformen · KI-Beispielsätze · kostenlos starten

ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig