🇳🇱

spreken auf Niederländisch konjugieren

Niederländisch ⚡ unregelmäßig

spreken bedeutet „to speak" und ist ein unregelmäßiges Nederlands-Verb. Hier findest du alle Zeitformen, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte — perfekt zum Lernen und Merken.

🎯 „spreken" jetzt im Quiz üben — kostenlos →

Konjugationstabelle — die wichtigsten Zeitformen

Tegenwoordige tijd

ikspreek
jijspreekt
hij / zijspreekt
wijspreken
julliespreken
zijspreken

Verleden tijd

iksprak
jijsprak
hij / zijsprak
wijspraken
julliespraken
zijspraken

Toekomende tijd

ikzal spreken
jijzult spreken
hij / zijzal spreken
wijzullen spreken
julliezullen spreken
zijzullen spreken
Alle 9 Zeitformen anzeigen

Tegenwoordige tijd

ikspreek
jijspreekt
hij / zijspreekt
wijspreken
julliespreken
zijspreken

Verleden tijd

iksprak
jijsprak
hij / zijsprak
wijspraken
julliespraken
zijspraken

Voltooid tegenwoordige tijd

ikheb gesproken
jijhebt gesproken
hij / zijheeft gesproken
wijhebben gesproken
julliehebben gesproken
zijhebben gesproken

Voltooid verleden tijd

ikhad gesproken
jijhad gesproken
hij / zijhad gesproken
wijhadden gesproken
julliehadden gesproken
zijhadden gesproken

Toekomende tijd

ikzal spreken
jijzult spreken
hij / zijzal spreken
wijzullen spreken
julliezullen spreken
zijzullen spreken

Aanvoegende wijs

ikspreeke
jijspreeke
hij / zijspreeke
wijspreken
julliespreken
zijspreken

Voorwaardelijke wijs

ikzou spreken
jijzou spreken
hij / zijzou spreken
wijzouden spreken
julliezouden spreken
zijzouden spreken

Gebiedende wijs

ik
jijspreek
hij / zijspreek
wijlaten we spreken
julliespreekt
zijspreek u

Onvoltooid deelwoord

iksprekend
jijsprekend
hij / zijsprekend
wijsprekend
julliesprekend
zijsprekend

Beispielsätze mit „spreken"

Tegenwoordige tijd
  • Ik spreek Nederlands met mijn vrienden.Ich spreche Niederländisch mit meinen Freunden.
  • Zij spreekt vaak over haar vakantie.Sie spricht oft über ihren Urlaub.
Verleden tijd
  • Wij spraken gisteren in de klas.Wir sprachen gestern in der Klasse.
  • Hij sprak met de leraar over zijn cijfers.Er sprach mit dem Lehrer über seine Noten.
Toekomende tijd
  • Ik zal morgen met jou spreken.Ich werde morgen mit dir sprechen.
  • Zij zal later deze week spreken.Sie wird später in dieser Woche sprechen.

Geschichte mit „spreken"

Op een zonnige ochtend sprak Anna met haar buurman, terwijl ze de post ophaalde. Ze hadden elkaar al een tijdje niet gesproken en genoten van het gesprek over de nieuwe bloemen in de tuin. "Jij spreekt altijd zo enthousiast over je planten!" zei ze lachend. Hij antwoordde: "Ja, ik kan er niet genoeg van krijgen!" Terwijl ze verder praatten, voelde Anna hoe het gesprek hen dichter bij elkaar bracht. Later zou ze haar vriendinnen vertellen hoe fijn het was om weer te spreken met hem.
An einem sonnigen Morgen sprach Anna mit ihrem Nachbarn, während sie die Post abholte. Sie hatten sich schon eine Weile nicht gesprochen und genossen das Gespräch über die neuen Blumen im Garten. "Du sprichst immer so begeistert von deinen Pflanzen!" sagte sie lachend. Er antwortete: "Ja, ich kann nicht genug davon bekommen!" Während sie weiter redeten, spürte Anna, wie das Gespräch sie näher zueinander brachte. Später würde sie ihren Freundinnen erzählen, wie schön es war, wieder mit ihm zu sprechen.

„spreken" direkt im Quiz üben

Alle 5 Sprachen · alle Zeitformen · KI-Beispielsätze · kostenlos starten

ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig