🇳🇱

wandelen auf Niederländisch konjugieren

Niederländisch ✓ regelmäßig

wandelen bedeutet „spazieren gehen, wandern" und ist ein regelmäßiges niederländisches Verb. Hier findest du alle Zeitformen, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte — perfekt zum Lernen und Merken.

„wandelen" ist ein regelmäßiges niederländisches Verb (Bedeutung: „spazieren gehen, wandern"). Präsens: hij / zij wandelt. Verleden tijd: hij / zij wandelde. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft gewandeld. Alle Formen von „wandelen" online konjugieren und üben auf conjuexpert.app.

★ Mini-Quiz · ein Stück echte App
Sitzt wandelen schon?
Tippe die richtige Form — du bekommst sofort Feedback, genau wie in der App.

Konjugationstabelle — die wichtigsten Zeitformen

Tegenwoordige tijd

ikwandel
jijwandelt
hij / zijwandelt
wijwandelen
julliewandelen
zijwandelen

Verleden tijd

ikwandelde
jijwandelde
hij / zijwandelde
wijwandelden
julliewandelden
zijwandelden

Toekomende tijd

ikzal wandelen
jijzult wandelen
hij / zijzal wandelen
wijzullen wandelen
julliezullen wandelen
zijzullen wandelen
Alle 9 Zeitformen anzeigen

Tegenwoordige tijd

ikwandel
jijwandelt
hij / zijwandelt
wijwandelen
julliewandelen
zijwandelen

Verleden tijd

ikwandelde
jijwandelde
hij / zijwandelde
wijwandelden
julliewandelden
zijwandelden

Voltooid tegenwoordige tijd

ikheb gewandeld
jijhebt gewandeld
hij / zijheeft gewandeld
wijhebben gewandeld
julliehebben gewandeld
zijhebben gewandeld

Voltooid verleden tijd

ikhad gewandeld
jijhad gewandeld
hij / zijhad gewandeld
wijhadden gewandeld
julliehadden gewandeld
zijhadden gewandeld

Toekomende tijd

ikzal wandelen
jijzult wandelen
hij / zijzal wandelen
wijzullen wandelen
julliezullen wandelen
zijzullen wandelen

Aanvoegende wijs

ikwandele
jijwandele
hij / zijwandele
wijwandelen
julliewandelen
zijwandelen

Voorwaardelijke wijs

ikzou wandelen
jijzou wandelen
hij / zijzou wandelen
wijzouden wandelen
julliezouden wandelen
zijzouden wandelen

Gebiedende wijs

ik
jijwandel
hij / zij
wijlaten we wandelen
julliewandel
zijwandelt u

Onvoltooid deelwoord

ikwandelend
jijwandelend
hij / zijwandelend
wijwandelend
julliewandelend
zijwandelend

Beispielsätze mit „wandelen"

Tegenwoordige tijd
  • Ik wandel elke ochtend in het park.Ich spaziere jeden Morgen im Park.
  • Wij wandelen samen naar school.Wir gehen zusammen zur Schule spazieren.
Verleden tijd
  • Gisteren wandelde ik langs het strand.Gestern bin ich am Strand spazieren gegangen.
  • Hij wandelde snel naar huis.Er ging schnell nach Hause spazieren.
Toekomende tijd
  • Morgen zullen we in het bos wandelen.Morgen werden wir im Wald spazieren gehen.
  • Zij zal vanavond met de hond wandelen.Sie wird heute Abend mit dem Hund spazieren gehen.

Geschichte mit „wandelen"

Elke ochtend wandel ik langs het kanaal om de frisse lucht te voelen. Gisteren wandelde ik iets langer dan gewoonlijk, omdat de zon zo prachtig scheen. Terwijl ik wandelde, zag ik een eend die rustig over het water glipte. Morgen zal ik weer wandelen, misschien neem ik deze keer een boek mee om onderweg te lezen. Wandelen helpt me altijd om mijn hoofd leeg te maken en nieuwe energie te vinden.
Jeden Morgen spaziere ich am Kanal entlang, um die frische Luft zu genießen. Gestern bin ich etwas länger als sonst spazieren gegangen, weil die Sonne so wunderschön schien. Während ich spazierte, sah ich eine Ente, die ruhig über das Wasser glitt. Morgen werde ich wieder spazieren gehen, vielleicht nehme ich diesmal ein Buch mit, um unterwegs zu lesen. Spazierengehen hilft mir immer, meinen Kopf freizubekommen und neue Energie zu finden.

Häufige Fragen zu „wandelen"

Ist „wandelen" ein regelmäßiges oder unregelmäßiges Verb?

„wandelen" ist ein regelmäßiges niederländisches Verb und bedeutet „spazieren gehen, wandern".

Wie wird „wandelen" in der 3. Person Singular konjugiert?

Im Präsens: hij / zij wandelt.

Wie lautet die Vergangenheitsform von „wandelen"?

Verleden tijd: hij / zij wandelde. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft gewandeld.

Wird „wandelen" mit „hebben" oder „zijn" gebildet?

Das Perfekt von „wandelen" wird mit „hebben" gebildet: hij / zij heeft gewandeld.

Wo kann ich „wandelen" üben?

Du kannst „wandelen" kostenlos im ConjuExpert-Quiz üben — mit allen Zeitformen, in fünf Sprachen, ohne Anmeldung.

„wandelen" direkt im Quiz üben

Alle 5 Sprachen · alle Zeitformen · KI-Beispielsätze · kostenlos starten

ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig