🇳🇱

parkeren auf Niederländisch konjugieren

Niederländisch ✓ regelmäßig

parkeren bedeutet „to park a vehicle" und ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb. Hier findest du alle Zeitformen, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte — perfekt zum Lernen und Merken.

„parkeren" ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb (Bedeutung: „to park a vehicle"). Präsens: hij / zij parkeert. Verleden tijd: hij / zij parkeerde. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft geparkeerd. Alle Formen von „parkeren" online konjugieren und üben auf conjuexpert.app.

★ Mini-Quiz · ein Stück echte App
Sitzt parkeren schon?
Tippe die richtige Form — du bekommst sofort Feedback, genau wie in der App.

Konjugationstabelle — die wichtigsten Zeitformen

Tegenwoordige tijd

ikparkeer
jijparkeert
hij / zijparkeert
wijparkeren
jullieparkeren
zijparkeren

Verleden tijd

ikparkeerde
jijparkeerde
hij / zijparkeerde
wijparkeerden
jullieparkeerden
zijparkeerden

Toekomende tijd

ikzal parkeren
jijzult parkeren
hij / zijzal parkeren
wijzullen parkeren
julliezullen parkeren
zijzullen parkeren
Alle 9 Zeitformen anzeigen

Tegenwoordige tijd

ikparkeer
jijparkeert
hij / zijparkeert
wijparkeren
jullieparkeren
zijparkeren

Verleden tijd

ikparkeerde
jijparkeerde
hij / zijparkeerde
wijparkeerden
jullieparkeerden
zijparkeerden

Voltooid tegenwoordige tijd

ikheb geparkeerd
jijhebt geparkeerd
hij / zijheeft geparkeerd
wijhebben geparkeerd
julliehebben geparkeerd
zijhebben geparkeerd

Voltooid verleden tijd

ikhad geparkeerd
jijhad geparkeerd
hij / zijhad geparkeerd
wijhadden geparkeerd
julliehadden geparkeerd
zijhadden geparkeerd

Toekomende tijd

ikzal parkeren
jijzult parkeren
hij / zijzal parkeren
wijzullen parkeren
julliezullen parkeren
zijzullen parkeren

Aanvoegende wijs

ikparkeere
jijparkeere
hij / zijparkeere
wijparkeren
jullieparkeren
zijparkeren

Voorwaardelijke wijs

ikzou parkeren
jijzou parkeren
hij / zijzou parkeren
wijzouden parkeren
julliezouden parkeren
zijzouden parkeren

Gebiedende wijs

ik
jijparkeer
hij / zijparkeer
wijlaten we parkeren
jullieparkeert
zijparkeert u

Onvoltooid deelwoord

ikparkerend
jijparkerend
hij / zijparkerend
wijparkerend
jullieparkerend
zijparkerend

Beispielsätze mit „parkeren"

Tegenwoordige tijd
  • Ik parkeer de auto naast het huis.Ich parke das Auto neben dem Haus.
  • Jij parkeert altijd dicht bij de ingang.Du parkst immer dicht am Eingang.
Verleden tijd
  • Hij parkeerde de fiets bij de school.Er parkte das Fahrrad bei der Schule.
  • Wij parkeerden de auto op straat gisteren.Wir parkten das Auto gestern auf der Straße.
Toekomende tijd
  • Zij zal de auto morgen hier parkeren.Sie wird das Auto morgen hier parken.
  • Ik zal mijn fiets in de garage parkeren.Ich werde mein Fahrrad in der Garage parken.

Geschichte mit „parkeren"

Elke ochtend parkeerde ik mijn fiets bij het kleine hek naast de bakkerij. Vandaag besloot ik echter mijn auto te parkeren op de grote parkeerplaats aan de overkant, omdat het druk was. Terwijl ik mijn auto parkeerde, zag ik dat mijn buurman ook zijn fiets parkeerde bij hetzelfde hek. Later, toen ik terugkwam, vond ik een plekje om mijn fiets te parkeren dichter bij mijn huis. Ik zal morgen weer mijn auto parkeren zoals gewoonlijk, maar vandaag was het even anders.
Jeden Morgen parkte ich mein Fahrrad am kleinen Zaun neben der Bäckerei. Heute beschloss ich jedoch, mein Auto auf dem großen Parkplatz gegenüber zu parken, weil es voll war. Während ich mein Auto parkte, sah ich, dass auch mein Nachbar sein Fahrrad am selben Zaun parkte. Später, als ich zurückkam, fand ich einen Platz, um mein Fahrrad näher an meinem Haus zu parken. Morgen werde ich mein Auto wieder wie gewohnt parken, aber heute war es mal anders.

Häufige Fragen zu „parkeren"

Ist „parkeren" ein regelmäßiges oder unregelmäßiges Verb?

„parkeren" ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb und bedeutet „to park a vehicle".

Wie wird „parkeren" in der 3. Person Singular konjugiert?

Im Präsens: hij / zij parkeert.

Wie lautet die Vergangenheitsform von „parkeren"?

Verleden tijd: hij / zij parkeerde. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft geparkeerd.

Wird „parkeren" mit „hebben" oder „zijn" gebildet?

Das Perfekt von „parkeren" wird mit „hebben" gebildet: hij / zij heeft geparkeerd.

Wo kann ich „parkeren" üben?

Du kannst „parkeren" kostenlos im ConjuExpert-Quiz üben — mit allen Zeitformen, in fünf Sprachen, ohne Anmeldung.

„parkeren" direkt im Quiz üben

Alle 5 Sprachen · alle Zeitformen · KI-Beispielsätze · kostenlos starten

ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig