🇳🇱

antwoorden auf Niederländisch konjugieren

Niederländisch ✓ regelmäßig

antwoorden bedeutet „to answer to reply" und ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb. Hier findest du alle Zeitformen, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte — perfekt zum Lernen und Merken.

„antwoorden" ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb (Bedeutung: „to answer to reply"). Präsens: hij / zij antwoordt. Verleden tijd: hij / zij antwoordde. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft geantwoord. Alle Formen von „antwoorden" online konjugieren und üben auf conjuexpert.app.

★ Mini-Quiz · ein Stück echte App
Sitzt antwoorden schon?
Tippe die richtige Form — du bekommst sofort Feedback, genau wie in der App.

Konjugationstabelle — die wichtigsten Zeitformen

Tegenwoordige tijd

ikantwoord
jijantwoordt
hij / zijantwoordt
wijantwoorden
jullieantwoorden
zijantwoorden

Verleden tijd

ikantwoordde
jijantwoordde
hij / zijantwoordde
wijantwoordden
jullieantwoordden
zijantwoordden

Toekomende tijd

ikzal antwoorden
jijzult antwoorden
hij / zijzal antwoorden
wijzullen antwoorden
julliezullen antwoorden
zijzullen antwoorden
Alle 9 Zeitformen anzeigen

Tegenwoordige tijd

ikantwoord
jijantwoordt
hij / zijantwoordt
wijantwoorden
jullieantwoorden
zijantwoorden

Verleden tijd

ikantwoordde
jijantwoordde
hij / zijantwoordde
wijantwoordden
jullieantwoordden
zijantwoordden

Voltooid tegenwoordige tijd

ikheb geantwoord
jijhebt geantwoord
hij / zijheeft geantwoord
wijhebben geantwoord
julliehebben geantwoord
zijhebben geantwoord

Voltooid verleden tijd

ikhad geantwoord
jijhad geantwoord
hij / zijhad geantwoord
wijhadden geantwoord
julliehadden geantwoord
zijhadden geantwoord

Toekomende tijd

ikzal antwoorden
jijzult antwoorden
hij / zijzal antwoorden
wijzullen antwoorden
julliezullen antwoorden
zijzullen antwoorden

Aanvoegende wijs

ikantwoorde
jijantwoorde
hij / zijantwoorde
wijantwoorden
jullieantwoorden
zijantwoorden

Voorwaardelijke wijs

ikzou antwoorden
jijzou antwoorden
hij / zijzou antwoorden
wijzouden antwoorden
julliezouden antwoorden
zijzouden antwoorden

Gebiedende wijs

ik
jijantwoord
hij / zijantwoord
wijlaten we antwoorden
jullieantwoordt
zijantwoordt u

Onvoltooid deelwoord

ikantwoordend
jijantwoordend
hij / zijantwoordend
wijantwoordend
jullieantwoordend
zijantwoordend

Beispielsätze mit „antwoorden"

Tegenwoordige tijd
  • Ik antwoord altijd snel op e-mails.Ich antworte immer schnell auf E-Mails.
  • Jij antwoordt duidelijk tijdens het gesprek.Du antwortest klar während des Gesprächs.
Verleden tijd
  • Zij antwoordde niet op mijn bericht.Sie antwortete nicht auf meine Nachricht.
  • Wij antwoordden samen op de vraag.Wir antworteten gemeinsam auf die Frage.
Toekomende tijd
  • Ik zal je morgen antwoorden.Ich werde dir morgen antworten.
  • Hij zal snel op de telefoon antwoorden.Er wird schnell ans Telefon antworten.

Geschichte mit „antwoorden"

Toen ik de telefoon hoorde rinkelen, wist ik dat ik snel moest antwoorden. Mijn moeder vroeg waarom ik nog niet thuis was, en ik antwoordde dat het verkeer erg druk was. Later probeerde ik haar weer te antwoorden, maar ze had al opgehangen. Terwijl ik naar huis fietste, dacht ik na over hoe belangrijk het is om op tijd te antwoorden, vooral als het om familie gaat. Thuis aangekomen, antwoordde ik meteen op haar berichtje, hopend dat ze niet te bezorgd was.
Als ich das Telefon klingeln hörte, wusste ich, dass ich schnell antworten musste. Meine Mutter fragte, warum ich noch nicht zu Hause sei, und ich antwortete, dass der Verkehr sehr stark war. Später versuchte ich erneut zu antworten, aber sie hatte bereits aufgelegt. Während ich nach Hause radelte, dachte ich darüber nach, wie wichtig es ist, rechtzeitig zu antworten, besonders wenn es um die Familie geht. Zu Hause angekommen, antwortete ich sofort auf ihre Nachricht und hoffte, dass sie nicht zu besorgt war.

Häufige Fragen zu „antwoorden"

Ist „antwoorden" ein regelmäßiges oder unregelmäßiges Verb?

„antwoorden" ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb und bedeutet „to answer to reply".

Wie wird „antwoorden" in der 3. Person Singular konjugiert?

Im Präsens: hij / zij antwoordt.

Wie lautet die Vergangenheitsform von „antwoorden"?

Verleden tijd: hij / zij antwoordde. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft geantwoord.

Wird „antwoorden" mit „hebben" oder „zijn" gebildet?

Das Perfekt von „antwoorden" wird mit „hebben" gebildet: hij / zij heeft geantwoord.

Wo kann ich „antwoorden" üben?

Du kannst „antwoorden" kostenlos im ConjuExpert-Quiz üben — mit allen Zeitformen, in fünf Sprachen, ohne Anmeldung.

„antwoorden" direkt im Quiz üben

Alle 5 Sprachen · alle Zeitformen · KI-Beispielsätze · kostenlos starten

ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig