🇳🇱

aankleden auf Niederländisch konjugieren

Niederländisch ✓ regelmäßig

aankleden bedeutet „anziehen, ankleiden" und ist ein regelmäßiges niederländisches Verb. Hier findest du alle Zeitformen, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte — perfekt zum Lernen und Merken.

„aankleden" ist ein regelmäßiges niederländisches Verb (Bedeutung: „anziehen, ankleiden"). Präsens: hij / zij kleedt … aan. Verleden tijd: hij / zij kleedde … aan. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft aangekleed. Alle Formen von „aankleden" online konjugieren und üben auf conjuexpert.app.

★ Mini-Quiz · ein Stück echte App
Sitzt aankleden schon?
Tippe die richtige Form — du bekommst sofort Feedback, genau wie in der App.

Konjugationstabelle — die wichtigsten Zeitformen

Tegenwoordige tijd

ikkleed … aan
jijkleedt … aan
hij / zijkleedt … aan
wijkleden … aan
julliekleden … aan
zijkleden … aan

Verleden tijd

ikkleedde … aan
jijkleedde … aan
hij / zijkleedde … aan
wijkleedden … aan
julliekleedden … aan
zijkleedden … aan

Toekomende tijd

ikzal aankleden
jijzult aankleden
hij / zijzal aankleden
wijzullen aankleden
julliezullen aankleden
zijzullen aankleden
Alle 9 Zeitformen anzeigen

Tegenwoordige tijd

ikkleed … aan
jijkleedt … aan
hij / zijkleedt … aan
wijkleden … aan
julliekleden … aan
zijkleden … aan

Verleden tijd

ikkleedde … aan
jijkleedde … aan
hij / zijkleedde … aan
wijkleedden … aan
julliekleedden … aan
zijkleedden … aan

Voltooid tegenwoordige tijd

ikheb aangekleed
jijhebt aangekleed
hij / zijheeft aangekleed
wijhebben aangekleed
julliehebben aangekleed
zijhebben aangekleed

Voltooid verleden tijd

ikhad aangekleed
jijhad aangekleed
hij / zijhad aangekleed
wijhadden aangekleed
julliehadden aangekleed
zijhadden aangekleed

Toekomende tijd

ikzal aankleden
jijzult aankleden
hij / zijzal aankleden
wijzullen aankleden
julliezullen aankleden
zijzullen aankleden

Aanvoegende wijs

ikklede … aan
jijklede … aan
hij / zijklede … aan
wijkleden … aan
julliekleden … aan
zijkleden … aan

Voorwaardelijke wijs

ikzou aankleden
jijzou aankleden
hij / zijzou aankleden
wijzouden aankleden
julliezouden aankleden
zijzouden aankleden

Gebiedende wijs

ik
jijkleed … aan
hij / zij
wijlaten we aankleden
julliekleed … aan
zijkleedt u … aan

Onvoltooid deelwoord

ikaankledend
jijaankledend
hij / zijaankledend
wijaankledend
jullieaankledend
zijaankledend

Beispielsätze mit „aankleden"

Tegenwoordige tijd
  • Ik kleed de kerstboom mooi aan.Ich schmücke den Weihnachtsbaum schön.
  • Zij kleedt het huis feestelijk aan.Sie schmückt das Haus festlich.
Verleden tijd
  • Hij kleedde de kamer gisteren aan.Er schmückte gestern das Zimmer.
  • Wij kleedden de tafel voor het diner aan.Wir schmückten den Tisch fürs Abendessen.
Toekomende tijd
  • Ik zal de etalage mooi aankleden.Ich werde das Schaufenster schön schmücken.
  • Zij zal de zaal voor het feest aankleden.Sie wird den Saal für die Feier schmücken.

Geschichte mit „aankleden"

Elke ochtend helpt oma me om mijn kamer aan te kleden met bloemen en kleurrijke slingers. Gisteren heeft ze de muren aangekleed met schilderijen van vroeger, waardoor de sfeer meteen warmer werd. Terwijl ik mijn bed aan het aankleden was, keek ik naar haar en dacht: hoe mooi ze alles aankleedt, dat wil ik ook leren. Morgen zal ik zelf de tafel aankleden voor het familieontbijt, met borden en servetten in vrolijke kleuren. Het aankleden van ons huis is voor ons een kleine traditie vol liefde en aandacht.
Jeden Morgen hilft mir Oma, mein Zimmer mit Blumen und bunten Girlanden anzukleiden. Gestern hat sie die Wände mit alten Gemälden angekleidet, wodurch die Atmosphäre sofort wärmer wurde. Während ich mein Bett anzukleidete, schaute ich sie an und dachte: Wie schön sie alles ankleidet, das möchte ich auch lernen. Morgen werde ich selbst den Tisch für das Familienfrühstück ankleiden, mit Tellern und Servietten in fröhlichen Farben. Das Ankleiden unseres Hauses ist für uns eine kleine Tradition voller Liebe und Aufmerksamkeit.

Häufige Fragen zu „aankleden"

Ist „aankleden" ein regelmäßiges oder unregelmäßiges Verb?

„aankleden" ist ein regelmäßiges niederländisches Verb und bedeutet „anziehen, ankleiden".

Wie wird „aankleden" in der 3. Person Singular konjugiert?

Im Präsens: hij / zij kleedt … aan.

Wie lautet die Vergangenheitsform von „aankleden"?

Verleden tijd: hij / zij kleedde … aan. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft aangekleed.

Wird „aankleden" mit „hebben" oder „zijn" gebildet?

Das Perfekt von „aankleden" wird mit „hebben" gebildet: hij / zij heeft aangekleed.

Wo kann ich „aankleden" üben?

Du kannst „aankleden" kostenlos im ConjuExpert-Quiz üben — mit allen Zeitformen, in fünf Sprachen, ohne Anmeldung.

„aankleden" direkt im Quiz üben

Alle 5 Sprachen · alle Zeitformen · KI-Beispielsätze · kostenlos starten

ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig