🇳🇱
werken auf Niederländisch konjugieren
werken bedeutet „to work" und ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb. Hier findest du alle Zeitformen, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte — perfekt zum Lernen und Merken.
Konjugationstabelle — die wichtigsten Zeitformen
Tegenwoordige tijd
| ik | werk |
| jij | werkt |
| hij / zij | werkt |
| wij | werken |
| jullie | werken |
| zij | werken |
Verleden tijd
| ik | werkte |
| jij | werkte |
| hij / zij | werkte |
| wij | werkten |
| jullie | werkten |
| zij | werkten |
Toekomende tijd
| ik | zal werken |
| jij | zult werken |
| hij / zij | zal werken |
| wij | zullen werken |
| jullie | zullen werken |
| zij | zullen werken |
Alle 9 Zeitformen anzeigen
Tegenwoordige tijd
| ik | werk |
| jij | werkt |
| hij / zij | werkt |
| wij | werken |
| jullie | werken |
| zij | werken |
Verleden tijd
| ik | werkte |
| jij | werkte |
| hij / zij | werkte |
| wij | werkten |
| jullie | werkten |
| zij | werkten |
Voltooid tegenwoordige tijd
| ik | heb gewerkt |
| jij | hebt gewerkt |
| hij / zij | heeft gewerkt |
| wij | hebben gewerkt |
| jullie | hebben gewerkt |
| zij | hebben gewerkt |
Voltooid verleden tijd
| ik | had gewerkt |
| jij | had gewerkt |
| hij / zij | had gewerkt |
| wij | hadden gewerkt |
| jullie | hadden gewerkt |
| zij | hadden gewerkt |
Toekomende tijd
| ik | zal werken |
| jij | zult werken |
| hij / zij | zal werken |
| wij | zullen werken |
| jullie | zullen werken |
| zij | zullen werken |
Aanvoegende wijs
| ik | werke |
| jij | werke |
| hij / zij | werke |
| wij | werken |
| jullie | werken |
| zij | werken |
Voorwaardelijke wijs
| ik | zou werken |
| jij | zou werken |
| hij / zij | zou werken |
| wij | zouden werken |
| jullie | zouden werken |
| zij | zouden werken |
Gebiedende wijs
| ik | — |
| jij | werk |
| hij / zij | werk |
| wij | laten we werken |
| jullie | werkt |
| zij | werkt u |
Onvoltooid deelwoord
| ik | werkend |
| jij | werkend |
| hij / zij | werkend |
| wij | werkend |
| jullie | werkend |
| zij | werkend |
Beispielsätze mit „werken"
Tegenwoordige tijd
- Ik werk elke dag van negen tot vijf.Ich arbeite jeden Tag von neun bis fünf.
- Zij werken aan een nieuw project.Sie arbeiten an einem neuen Projekt.
Verleden tijd
- Hij werkte gisteren thuis aan zijn verslag.Er arbeitete gestern zu Hause an seinem Bericht.
- Wij werkten vorig jaar in dat bedrijf.Wir arbeiteten letztes Jahr in dieser Firma.
Toekomende tijd
- Ik zal morgen aan mijn thesis werken.Ich werde morgen an meiner Thesis arbeiten.
- Zij zullen volgende week samen werken.Sie werden nächste Woche zusammen arbeiten.
Geschichte mit „werken"
Op een zonnige ochtend werkte Anna aan haar laptop in het café. Ze had een belangrijke deadline en de uren vlogen voorbij terwijl ze geconcentreerd haar e-mails beantwoordde. Haar vriend Tom kwam binnen en vroeg of ze samen een kop koffie kon drinken. "Sorry, maar ik moet nog werken," zei ze met een glimlach. Hij knikte begrijpend en ging aan de andere kant van het café werken. Later, toen ze eindelijk klaar was, voelde ze zich tevreden over haar productieve dag.
An einem sonnigen Morgen arbeitete Anna in einem Café an ihrem Laptop. Sie hatte eine wichtige Frist und die Stunden vergingen schnell, während sie konzentriert ihre E-Mails beantwortete. Ihr Freund Tom kam herein und fragte, ob sie zusammen einen Kaffee trinken könnte. "Entschuldigung, aber ich muss noch arbeiten," sagte sie mit einem Lächeln. Er nickte verständnisvoll und arbeitete auf der anderen Seite des Cafés. Später, als sie endlich fertig war, fühlte sie sich zufrieden mit ihrem produktiven Tag.
„werken" direkt im Quiz üben
Alle 5 Sprachen · alle Zeitformen · KI-Beispielsätze · kostenlos starten
ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig