spelen auf Niederländisch konjugieren
spelen bedeutet „to play" und ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb. Hier findest du alle Zeitformen, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte — perfekt zum Lernen und Merken.
„spelen" ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb (Bedeutung: „to play"). Präsens: hij / zij speelt. Verleden tijd: hij / zij speelde. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft gespeeld. Alle Formen von „spelen" online konjugieren und üben auf conjuexpert.app.
Konjugationstabelle — die wichtigsten Zeitformen
Tegenwoordige tijd
| ik | speel |
| jij | speelt |
| hij / zij | speelt |
| wij | spelen |
| jullie | spelen |
| zij | spelen |
Verleden tijd
| ik | speelde |
| jij | speelde |
| hij / zij | speelde |
| wij | speelden |
| jullie | speelden |
| zij | speelden |
Toekomende tijd
| ik | zal spelen |
| jij | zult spelen |
| hij / zij | zal spelen |
| wij | zullen spelen |
| jullie | zullen spelen |
| zij | zullen spelen |
Alle 9 Zeitformen anzeigen
Tegenwoordige tijd
| ik | speel |
| jij | speelt |
| hij / zij | speelt |
| wij | spelen |
| jullie | spelen |
| zij | spelen |
Verleden tijd
| ik | speelde |
| jij | speelde |
| hij / zij | speelde |
| wij | speelden |
| jullie | speelden |
| zij | speelden |
Voltooid tegenwoordige tijd
| ik | heb gespeeld |
| jij | hebt gespeeld |
| hij / zij | heeft gespeeld |
| wij | hebben gespeeld |
| jullie | hebben gespeeld |
| zij | hebben gespeeld |
Voltooid verleden tijd
| ik | had gespeeld |
| jij | had gespeeld |
| hij / zij | had gespeeld |
| wij | hadden gespeeld |
| jullie | hadden gespeeld |
| zij | hadden gespeeld |
Toekomende tijd
| ik | zal spelen |
| jij | zult spelen |
| hij / zij | zal spelen |
| wij | zullen spelen |
| jullie | zullen spelen |
| zij | zullen spelen |
Aanvoegende wijs
| ik | speele |
| jij | speele |
| hij / zij | speele |
| wij | spelen |
| jullie | spelen |
| zij | spelen |
Voorwaardelijke wijs
| ik | zou spelen |
| jij | zou spelen |
| hij / zij | zou spelen |
| wij | zouden spelen |
| jullie | zouden spelen |
| zij | zouden spelen |
Gebiedende wijs
| ik | — |
| jij | speel |
| hij / zij | speel |
| wij | laten we spelen |
| jullie | speelt |
| zij | speelt u |
Onvoltooid deelwoord
| ik | spelend |
| jij | spelend |
| hij / zij | spelend |
| wij | spelend |
| jullie | spelend |
| zij | spelend |
Beispielsätze mit „spelen"
- Ik speel elke dag met mijn vrienden.Ich spiele jeden Tag mit meinen Freunden.
- Zij speelt piano na school.Sie spielt nach der Schule Klavier.
- Gisteren speelde hij voetbal in het park.Gestern spielte er Fußball im Park.
- Wij speelden samen een bordspel.Wir spielten zusammen ein Brettspiel.
- Morgen zal ik met mijn zus spelen.Morgen werde ich mit meiner Schwester spielen.
- Zij zullen volgende week buiten spelen.Sie werden nächste Woche draußen spielen.
Geschichte mit „spelen"
Häufige Fragen zu „spelen"
Ist „spelen" ein regelmäßiges oder unregelmäßiges Verb?
„spelen" ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb und bedeutet „to play".
Wie wird „spelen" in der 3. Person Singular konjugiert?
Im Präsens: hij / zij speelt.
Wie lautet die Vergangenheitsform von „spelen"?
Verleden tijd: hij / zij speelde. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft gespeeld.
Wird „spelen" mit „hebben" oder „zijn" gebildet?
Das Perfekt von „spelen" wird mit „hebben" gebildet: hij / zij heeft gespeeld.
Wo kann ich „spelen" üben?
Du kannst „spelen" kostenlos im ConjuExpert-Quiz üben — mit allen Zeitformen, in fünf Sprachen, ohne Anmeldung.
„spelen" direkt im Quiz üben
Alle 5 Sprachen · alle Zeitformen · KI-Beispielsätze · kostenlos starten
ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig