🇳🇱

willen auf Niederländisch konjugieren

Niederländisch ⚡ unregelmäßig

willen bedeutet „to want" und ist ein unregelmäßiges Nederlands-Verb. Hier findest du alle Zeitformen, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte — perfekt zum Lernen und Merken.

🎯 „willen" jetzt im Quiz üben — kostenlos →

Konjugationstabelle — die wichtigsten Zeitformen

Tegenwoordige tijd

ikwil
jijwilt
hij / zijwil
wijwillen
julliewillen
zijwillen

Verleden tijd

ikwilde
jijwilde
hij / zijwilde
wijwilden
julliewilden
zijwilden

Toekomende tijd

ikzal willen
jijzult willen
hij / zijzal willen
wijzullen willen
julliezullen willen
zijzullen willen
Alle 9 Zeitformen anzeigen

Tegenwoordige tijd

ikwil
jijwilt
hij / zijwil
wijwillen
julliewillen
zijwillen

Verleden tijd

ikwilde
jijwilde
hij / zijwilde
wijwilden
julliewilden
zijwilden

Voltooid tegenwoordige tijd

ikheb gewild
jijhebt gewild
hij / zijheeft gewild
wijhebben gewild
julliehebben gewild
zijhebben gewild

Voltooid verleden tijd

ikhad gewild
jijhad gewild
hij / zijhad gewild
wijhadden gewild
julliehadden gewild
zijhadden gewild

Toekomende tijd

ikzal willen
jijzult willen
hij / zijzal willen
wijzullen willen
julliezullen willen
zijzullen willen

Aanvoegende wijs

ikwile
jijwile
hij / zijwile
wijwillen
julliewillen
zijwillen

Voorwaardelijke wijs

ikzou willen
jijzou willen
hij / zijzou willen
wijzouden willen
julliezouden willen
zijzouden willen

Gebiedende wijs

ik
jijwil
hij / zijwil
wijlaten we willen
julliewillen
zijwil u

Onvoltooid deelwoord

ikwillend
jijwillend
hij / zijwillend
wijwillend
julliewillend
zijwillend

Beispielsätze mit „willen"

Tegenwoordige tijd
  • Ik wil een boek lezen.Ich will ein Buch lesen.
  • Zij willen naar de film gaan.Sie wollen ins Kino gehen.
Verleden tijd
  • Hij wilde graag koffie.Er wollte gerne Kaffee.
  • Wij wilden meer tijd hebben.Wir wollten mehr Zeit haben.
Toekomende tijd
  • Ik zal morgen pizza willen.Ich werde morgen Pizza wollen.
  • Zij zullen binnenkort reizen willen.Sie werden bald reisen wollen.

Geschichte mit „willen"

Lena wilde altijd al naar de zee gaan, maar haar vrienden wilden dit jaar de bergen bezoeken. Ze zat op haar bed en keek naar de foto's van de oceaan; ze wilde zo graag die golven horen. "Wat als we volgend jaar naar de zee gaan?" vroeg ze hoopvol. Haar vrienden keken elkaar aan en zeiden dat ze dat wel wilden. Deze zomer zouden ze samen de bergen verkennen, maar in haar hart wist ze dat de zee haar echte droom was. Misschien zou ze ooit alleen gaan, want ze wilde die vrijheid voelen.
Lena wollte schon immer ans Meer, aber ihre Freunde wollten in diesem Jahr in die Berge fahren. Sie saß auf ihrem Bett und schaute sich die Fotos des Ozeans an; sie wollte so gerne die Wellen hören. "Was, wenn wir nächstes Jahr ans Meer fahren?" fragte sie hoffnungsvoll. Ihre Freunde schauten sich an und sagten, dass sie das wollten. In diesem Sommer würden sie zusammen die Berge erkunden, aber in ihrem Herzen wusste sie, dass das Meer ihr wahrer Traum war. Vielleicht würde sie irgendwann alleine gehen, denn sie wollte diese Freiheit fühlen.

„willen" direkt im Quiz üben

Alle 5 Sprachen · alle Zeitformen · KI-Beispielsätze · kostenlos starten

ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig