🇳🇱

geven auf Niederländisch konjugieren

Niederländisch ⚡ unregelmäßig

geven bedeutet „to give" und ist ein unregelmäßiges Nederlands-Verb. Hier findest du alle Zeitformen, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte — perfekt zum Lernen und Merken.

🎯 „geven" jetzt im Quiz üben — kostenlos →

Konjugationstabelle — die wichtigsten Zeitformen

Tegenwoordige tijd

ikgeef
jijgeeft
hij / zijgeeft
wijgeven
julliegeven
zijgeven

Verleden tijd

ikgaf
jijgaf
hij / zijgaf
wijgaven
julliegaven
zijgaven

Toekomende tijd

ikzal geven
jijzult geven
hij / zijzal geven
wijzullen geven
julliezullen geven
zijzullen geven
Alle 9 Zeitformen anzeigen

Tegenwoordige tijd

ikgeef
jijgeeft
hij / zijgeeft
wijgeven
julliegeven
zijgeven

Verleden tijd

ikgaf
jijgaf
hij / zijgaf
wijgaven
julliegaven
zijgaven

Voltooid tegenwoordige tijd

ikheb gegeven
jijhebt gegeven
hij / zijheeft gegeven
wijhebben gegeven
julliehebben gegeven
zijhebben gegeven

Voltooid verleden tijd

ikhad gegeven
jijhad gegeven
hij / zijhad gegeven
wijhadden gegeven
julliehadden gegeven
zijhadden gegeven

Toekomende tijd

ikzal geven
jijzult geven
hij / zijzal geven
wijzullen geven
julliezullen geven
zijzullen geven

Aanvoegende wijs

ikgeefe
jijgeefe
hij / zijgeefe
wijgeven
julliegeven
zijgeven

Voorwaardelijke wijs

ikzou geven
jijzou geven
hij / zijzou geven
wijzouden geven
julliezouden geven
zijzouden geven

Gebiedende wijs

ik
jijgeef
hij / zijgeef
wijlaten we geven
julliegeeft
zijgeef u

Onvoltooid deelwoord

ikgevend
jijgevend
hij / zijgevend
wijgevend
julliegevend
zijgevend

Beispielsätze mit „geven"

Tegenwoordige tijd
  • Ik geef hem een boek.Ich gebe ihm ein Buch.
  • Zij geeft haar vriendin een cadeau.Sie gibt ihrer Freundin ein Geschenk.
Verleden tijd
  • Hij gaf mij zijn nummer.Er gab mir seine Nummer.
  • Wij gaven hun hulp bij het project.Wir gaben ihnen Hilfe bei dem Projekt.
Toekomende tijd
  • Ik zal je de informatie geven.Ich werde dir die Informationen geben.
  • Zij zal ons een uitnodiging sturen.Sie wird uns eine Einladung schicken.

Geschichte mit „geven"

Elke ochtend gaf Anna haar zoon een kus voordat hij naar school ging. Vandaag gaf ze hem een extra knuffel, omdat hij nerveus was voor zijn presentatie. "Je kunt het, jongen!" zei ze en ze gaf hem een bemoedigende glimlach. Tijdens de pauze gaf zijn klasgenoot hem een compliment, wat hem deed stralen. Na school vertelde hij zijn moeder hoe blij hij was dat hij het had gedaan. "Dank je, mama, voor het vertrouwen dat je me altijd geeft!"
Jeden Morgen gab Anna ihrem Sohn einen Kuss, bevor er zur Schule ging. Heute gab sie ihm eine zusätzliche Umarmung, weil er nervös wegen seiner Präsentation war. "Du schaffst das, Junge!" sagte sie und gab ihm ein ermutigendes Lächeln. In der Pause gab ihm sein Klassenkamerad ein Kompliment, was ihn zum Strahlen brachte. Nach der Schule erzählte er seiner Mutter, wie glücklich er war, dass er es geschafft hatte. "Danke, Mama, für das Vertrauen, das du mir immer gibst!"

„geven" direkt im Quiz üben

Alle 5 Sprachen · alle Zeitformen · KI-Beispielsätze · kostenlos starten

ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig