🇳🇱

afmaken auf Niederländisch konjugieren

Niederländisch ✓ regelmäßig

afmaken bedeutet „fertigmachen, beenden" und ist ein regelmäßiges niederländisches Verb. Hier findest du alle Zeitformen, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte — perfekt zum Lernen und Merken.

„afmaken" ist ein regelmäßiges niederländisches Verb (Bedeutung: „fertigmachen, beenden"). Präsens: hij / zij maakt … af. Verleden tijd: hij / zij maakte … af. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft afgemaakt. Alle Formen von „afmaken" online konjugieren und üben auf conjuexpert.app.

★ Mini-Quiz · ein Stück echte App
Sitzt afmaken schon?
Tippe die richtige Form — du bekommst sofort Feedback, genau wie in der App.

Konjugationstabelle — die wichtigsten Zeitformen

Tegenwoordige tijd

ikmaak … af
jijmaakt … af
hij / zijmaakt … af
wijmaken … af
julliemaken … af
zijmaken … af

Verleden tijd

ikmaakte … af
jijmaakte … af
hij / zijmaakte … af
wijmaakten … af
julliemaakten … af
zijmaakten … af

Toekomende tijd

ikzal afmaken
jijzult afmaken
hij / zijzal afmaken
wijzullen afmaken
julliezullen afmaken
zijzullen afmaken
Alle 9 Zeitformen anzeigen

Tegenwoordige tijd

ikmaak … af
jijmaakt … af
hij / zijmaakt … af
wijmaken … af
julliemaken … af
zijmaken … af

Verleden tijd

ikmaakte … af
jijmaakte … af
hij / zijmaakte … af
wijmaakten … af
julliemaakten … af
zijmaakten … af

Voltooid tegenwoordige tijd

ikheb afgemaakt
jijhebt afgemaakt
hij / zijheeft afgemaakt
wijhebben afgemaakt
julliehebben afgemaakt
zijhebben afgemaakt

Voltooid verleden tijd

ikhad afgemaakt
jijhad afgemaakt
hij / zijhad afgemaakt
wijhadden afgemaakt
julliehadden afgemaakt
zijhadden afgemaakt

Toekomende tijd

ikzal afmaken
jijzult afmaken
hij / zijzal afmaken
wijzullen afmaken
julliezullen afmaken
zijzullen afmaken

Aanvoegende wijs

ikmake … af
jijmake … af
hij / zijmake … af
wijmaken … af
julliemaken … af
zijmaken … af

Voorwaardelijke wijs

ikzou afmaken
jijzou afmaken
hij / zijzou afmaken
wijzouden afmaken
julliezouden afmaken
zijzouden afmaken

Gebiedende wijs

ik
jijmaak … af
hij / zij
wijlaten we afmaken
julliemaak … af
zijmaakt u … af

Onvoltooid deelwoord

ikafmakend
jijafmakend
hij / zijafmakend
wijafmakend
jullieafmakend
zijafmakend

Beispielsätze mit „afmaken"

Tegenwoordige tijd
  • Ik maak mijn huiswerk af.Ich mache meine Hausaufgaben fertig.
  • Zij maken het project af.Sie beenden das Projekt.
Verleden tijd
  • Hij maakte de taak gisteren af.Er hat die Aufgabe gestern erledigt.
  • Wij maakten het werk snel af.Wir haben die Arbeit schnell beendet.
Toekomende tijd
  • Ik zal het rapport morgen afmaken.Ich werde den Bericht morgen fertigstellen.
  • Zij zullen het boek afmaken.Sie werden das Buch beenden.

Geschichte mit „afmaken"

Sophie begon vanochtend haar schilderij, maar ze wist dat ze het niet vandaag zou afmaken. Ze vertelde zichzelf dat ze het morgen zeker zou afmaken, want de kleuren moesten perfect zijn. Tijdens de lunch dacht ze na over hoe ze de details zou afmaken en glimlachte. Aan het einde van de dag besloot ze het toch af te maken, ondanks de vermoeidheid. Nu hangt het schilderij trots aan de muur, klaar om bewonderd te worden.
Sophie begann heute Morgen ihr Gemälde, aber sie wusste, dass sie es heute nicht fertigstellen würde. Sie sagte sich, dass sie es morgen bestimmt fertigstellen würde, denn die Farben mussten perfekt sein. Während des Mittagessens dachte sie darüber nach, wie sie die Details fertigstellen würde, und lächelte. Am Ende des Tages entschied sie sich, es doch fertigzustellen, trotz der Müdigkeit. Jetzt hängt das Gemälde stolz an der Wand, bereit bewundert zu werden.

Häufige Fragen zu „afmaken"

Ist „afmaken" ein regelmäßiges oder unregelmäßiges Verb?

„afmaken" ist ein regelmäßiges niederländisches Verb und bedeutet „fertigmachen, beenden".

Wie wird „afmaken" in der 3. Person Singular konjugiert?

Im Präsens: hij / zij maakt … af.

Wie lautet die Vergangenheitsform von „afmaken"?

Verleden tijd: hij / zij maakte … af. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft afgemaakt.

Wird „afmaken" mit „hebben" oder „zijn" gebildet?

Das Perfekt von „afmaken" wird mit „hebben" gebildet: hij / zij heeft afgemaakt.

Wo kann ich „afmaken" üben?

Du kannst „afmaken" kostenlos im ConjuExpert-Quiz üben — mit allen Zeitformen, in fünf Sprachen, ohne Anmeldung.

„afmaken" direkt im Quiz üben

Alle 5 Sprachen · alle Zeitformen · KI-Beispielsätze · kostenlos starten

ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig