🇳🇱

afspreken auf Niederländisch konjugieren

Niederländisch ✓ regelmäßig

afspreken bedeutet „to arrange to meet" und ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb. Hier findest du alle Zeitformen, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte — perfekt zum Lernen und Merken.

„afspreken" ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb (Bedeutung: „to arrange to meet"). Präsens: hij / zij spreekt … af. Verleden tijd: hij / zij sprak … af. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft afgesproken. Alle Formen von „afspreken" online konjugieren und üben auf conjuexpert.app.

★ Mini-Quiz · ein Stück echte App
Sitzt afspreken schon?
Tippe die richtige Form — du bekommst sofort Feedback, genau wie in der App.

Konjugationstabelle — die wichtigsten Zeitformen

Tegenwoordige tijd

ikspreek … af
jijspreekt … af
hij / zijspreekt … af
wijspreken … af
julliespreken … af
zijspreken … af

Verleden tijd

iksprak … af
jijsprak … af
hij / zijsprak … af
wijspraken … af
julliespraken … af
zijspraken … af

Toekomende tijd

ikzal afspreken
jijzult afspreken
hij / zijzal afspreken
wijzullen afspreken
julliezullen afspreken
zijzullen afspreken
Alle 9 Zeitformen anzeigen

Tegenwoordige tijd

ikspreek … af
jijspreekt … af
hij / zijspreekt … af
wijspreken … af
julliespreken … af
zijspreken … af

Verleden tijd

iksprak … af
jijsprak … af
hij / zijsprak … af
wijspraken … af
julliespraken … af
zijspraken … af

Voltooid tegenwoordige tijd

ikheb afgesproken
jijhebt afgesproken
hij / zijheeft afgesproken
wijhebben afgesproken
julliehebben afgesproken
zijhebben afgesproken

Voltooid verleden tijd

ikhad afgesproken
jijhad afgesproken
hij / zijhad afgesproken
wijhadden afgesproken
julliehadden afgesproken
zijhadden afgesproken

Toekomende tijd

ikzal afspreken
jijzult afspreken
hij / zijzal afspreken
wijzullen afspreken
julliezullen afspreken
zijzullen afspreken

Aanvoegende wijs

ikspreeke … af
jijspreeke … af
hij / zijspreeke … af
wijspreken … af
julliespreken … af
zijspreken … af

Voorwaardelijke wijs

ikzou afspreken
jijzou afspreken
hij / zijzou afspreken
wijzouden afspreken
julliezouden afspreken
zijzouden afspreken

Gebiedende wijs

ik
jijspreek … af
hij / zijspreek … af
wijlaten we afspreken
julliespreekt … af
zijspreek u

Onvoltooid deelwoord

ikafsprekend
jijafsprekend
hij / zijafsprekend
wijafsprekend
jullieafsprekend
zijafsprekend

Beispielsätze mit „afspreken"

Tegenwoordige tijd
  • Wij spreken morgen in het park af.Wir verabreden uns morgen im Park.
  • Ik spreek altijd met haar om vijf uur af.Ich treffe mich immer um fünf Uhr mit ihr.
Verleden tijd
  • Wij spraken vorige week in de stad af.Wir haben uns letzte Woche in der Stadt verabredet.
  • Hij sprak gisteren met zijn vriend af.Er hat sich gestern mit seinem Freund verabredet.
Toekomende tijd
  • Wij zullen volgende week in het café afspreken.Wir werden uns nächste Woche im Café verabreden.
  • Ik zal met haar morgenmiddag afspreken.Ich werde mich morgen Nachmittag mit ihr verabreden.

Geschichte mit „afspreken"

Elke vrijdag spreken Lisa en ik af bij het café om de hoek. Vorige week hadden we afgesproken om samen een film te kijken, maar uiteindelijk besloten we toch af te spreken in het park. Morgen zal ik met mijn collega afspreken om de nieuwe plannen door te nemen. Soms is het lastig om een tijd te vinden waarop we allemaal kunnen afspreken. Toch voelt het altijd fijn om met vrienden af te spreken en even te ontspannen.
Jeden Freitag verabrede ich mich mit Lisa im Café um die Ecke. Letzte Woche hatten wir vereinbart, zusammen einen Film zu schauen, aber schließlich beschlossen wir, uns doch im Park zu treffen. Morgen werde ich mich mit meinem Kollegen treffen, um die neuen Pläne zu besprechen. Manchmal ist es schwierig, eine Zeit zu finden, zu der wir uns alle verabreden können. Trotzdem fühlt es sich immer gut an, sich mit Freunden zu treffen und sich ein wenig zu entspannen.

Häufige Fragen zu „afspreken"

Ist „afspreken" ein regelmäßiges oder unregelmäßiges Verb?

„afspreken" ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb und bedeutet „to arrange to meet".

Wie wird „afspreken" in der 3. Person Singular konjugiert?

Im Präsens: hij / zij spreekt … af.

Wie lautet die Vergangenheitsform von „afspreken"?

Verleden tijd: hij / zij sprak … af. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft afgesproken.

Wird „afspreken" mit „hebben" oder „zijn" gebildet?

Das Perfekt von „afspreken" wird mit „hebben" gebildet: hij / zij heeft afgesproken.

Wo kann ich „afspreken" üben?

Du kannst „afspreken" kostenlos im ConjuExpert-Quiz üben — mit allen Zeitformen, in fünf Sprachen, ohne Anmeldung.

„afspreken" direkt im Quiz üben

Alle 5 Sprachen · alle Zeitformen · KI-Beispielsätze · kostenlos starten

ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig