🇳🇱

uitleggen auf Niederländisch konjugieren

Niederländisch ✓ regelmäßig

uitleggen bedeutet „to explain to clarify" und ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb. Hier findest du alle Zeitformen, natürliche Beispielsätze und eine kurze Geschichte — perfekt zum Lernen und Merken.

„uitleggen" ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb (Bedeutung: „to explain to clarify"). Präsens: hij / zij legt … uit. Verleden tijd: hij / zij legde … uit. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft uitgelegd. Alle Formen von „uitleggen" online konjugieren und üben auf conjuexpert.app.

★ Mini-Quiz · ein Stück echte App
Sitzt uitleggen schon?
Tippe die richtige Form — du bekommst sofort Feedback, genau wie in der App.

Konjugationstabelle — die wichtigsten Zeitformen

Tegenwoordige tijd

ikleg … uit
jijlegt … uit
hij / zijlegt … uit
wijleggen … uit
jullieleggen … uit
zijleggen … uit

Verleden tijd

iklegde … uit
jijlegde … uit
hij / zijlegde … uit
wijlegden … uit
jullielegden … uit
zijlegden … uit

Toekomende tijd

ikzal uitleggen
jijzult uitleggen
hij / zijzal uitleggen
wijzullen uitleggen
julliezullen uitleggen
zijzullen uitleggen
Alle 9 Zeitformen anzeigen

Tegenwoordige tijd

ikleg … uit
jijlegt … uit
hij / zijlegt … uit
wijleggen … uit
jullieleggen … uit
zijleggen … uit

Verleden tijd

iklegde … uit
jijlegde … uit
hij / zijlegde … uit
wijlegden … uit
jullielegden … uit
zijlegden … uit

Voltooid tegenwoordige tijd

ikheb uitgelegd
jijhebt uitgelegd
hij / zijheeft uitgelegd
wijhebben uitgelegd
julliehebben uitgelegd
zijhebben uitgelegd

Voltooid verleden tijd

ikhad uitgelegd
jijhad uitgelegd
hij / zijhad uitgelegd
wijhadden uitgelegd
julliehadden uitgelegd
zijhadden uitgelegd

Toekomende tijd

ikzal uitleggen
jijzult uitleggen
hij / zijzal uitleggen
wijzullen uitleggen
julliezullen uitleggen
zijzullen uitleggen

Aanvoegende wijs

iklege … uit
jijlege … uit
hij / zijlege … uit
wijleggen … uit
jullieleggen … uit
zijleggen … uit

Voorwaardelijke wijs

ikzou uitleggen
jijzou uitleggen
hij / zijzou uitleggen
wijzouden uitleggen
julliezouden uitleggen
zijzouden uitleggen

Gebiedende wijs

ik
jijleg … uit
hij / zijleg … uit
wijlaten we uitleggen
jullielegt … uit
zijlegt u

Onvoltooid deelwoord

ikuitleggend
jijuitleggend
hij / zijuitleggend
wijuitleggend
jullieuitleggend
zijuitleggend

Beispielsätze mit „uitleggen"

Tegenwoordige tijd
  • Ik leg het probleem aan hem uit.Ich erkläre ihm das Problem.
  • Zij legt de regels duidelijk uit.Sie erklärt die Regeln klar.
Verleden tijd
  • Hij legde de opdracht gisteren uit.Er erklärte die Aufgabe gestern.
  • Wij legden alles stap voor stap uit.Wir erklärten alles Schritt für Schritt.
Toekomende tijd
  • Ik zal het morgen aan jou uitleggen.Ich werde es dir morgen erklären.
  • Zij zal de situatie snel uitleggen.Sie wird die Situation schnell erklären.

Geschichte mit „uitleggen"

Toen ik mijn nieuwe collega gisteren ontmoette, probeerde ik hem de ingewikkelde software uit te leggen. Hij vroeg me geduldig om het nog eens uit te leggen, omdat hij de stappen niet meteen begreep. Terwijl ik uitlegde hoe de interface werkte, zag ik zijn gezicht oplichten van begrip. Vandaag zal ik hem verder uitleggen hoe hij de rapporten kan genereren. Het is fijn om te merken dat uitleggen echt helpt om samen beter te werken.
Als ich gestern meinen neuen Kollegen traf, versuchte ich ihm die komplizierte Software zu erklären. Geduldig bat er mich, es noch einmal zu erklären, da er die Schritte nicht sofort verstand. Während ich erklärte, wie die Benutzeroberfläche funktioniert, sah ich, wie sein Gesicht vor Verständnis aufleuchtete. Heute werde ich ihm weiter erklären, wie er die Berichte erstellen kann. Es ist schön zu sehen, dass Erklären wirklich hilft, besser zusammenzuarbeiten.

Häufige Fragen zu „uitleggen"

Ist „uitleggen" ein regelmäßiges oder unregelmäßiges Verb?

„uitleggen" ist ein regelmäßiges Nederlands-Verb und bedeutet „to explain to clarify".

Wie wird „uitleggen" in der 3. Person Singular konjugiert?

Im Präsens: hij / zij legt … uit.

Wie lautet die Vergangenheitsform von „uitleggen"?

Verleden tijd: hij / zij legde … uit. Voltooid tegenwoordige tijd: hij / zij heeft uitgelegd.

Wird „uitleggen" mit „hebben" oder „zijn" gebildet?

Das Perfekt von „uitleggen" wird mit „hebben" gebildet: hij / zij heeft uitgelegd.

Wo kann ich „uitleggen" üben?

Du kannst „uitleggen" kostenlos im ConjuExpert-Quiz üben — mit allen Zeitformen, in fünf Sprachen, ohne Anmeldung.

„uitleggen" direkt im Quiz üben

Alle 5 Sprachen · alle Zeitformen · KI-Beispielsätze · kostenlos starten

ConjuExpert öffnen → Kein Download · keine Anmeldung nötig